Rooms Katholieke Kerk

Heilige Tomas kerk

De H. Tomas kerk staat naast een winkelcentrum aan een doorgaande weg in de wijk De Donderberg, ingebed in groen en bebouwing. Doordat de kerk deel uit maakt van een complex met een buurthuis en winkels valt zij niet op, maar de toren aan de straatzijde markeert de ingang van de kerk op een duidelijke wijze, zonder een landmark te zijn.

(bron)

  • Adres Donderbergweg 45
  • Postcode 6043 JA
  • Kadastrale gegevens Roermond F 3207
  • Bouwpredikant F. de Wit
  • Architecten Bekkers
  • Kunstenaars Tom Franssen
  • Huidig gebruik R.K. Kerk

H. Tomas - tomas-koor H. Tomas - tomas-ext1_nieuwe_kleur

 Type

De niet-georiënteerde bakstenen zaalkerk is onderdeel van een groter utiliteitsgebouw met winkels onder een plat dak en met rechte ramen. Het interieur van de kerk wordt gekenmerkt door diverse ruimten, die onderling worden gescheiden door vouwwanden. De kerk kent een axiaal bankenplan, in de bijruimten staan stoelen.

 

Bouwgeschiedenis

Noodkerk

De eerste huizen van de nieuwbouwwijk De Donderberg werden gebouwd in 1965. In 1967 werd kapelaan De Wit tot zielzorger benoemd. Hij kreeg geen parochie en moest samenwerken met de omringende parochies, omdat de toekomst onzeker was. De Wit richtte een noodkerk in de kantine van bouwbedrijf Fick. In december 1967 werd met behulp van vrijwilligers een noodkerk gebouwd. Het rapport van het KASKI gaf aan, dat de Donderberg een stedebouwkundige eenheid zou worden, waar zielzorg gewenst was. Maar de buurt veranderde. In 1969 bleek, dat de oorspronkelijke planning voor een kerk van circa 950 tot maximaal 1350 zitplaatsen was bijgesteld naar een kerk, die groot genoeg moest zijn voor 270 gezinnen. Ook deze verwachting bleek te rooskleurig. De bedoeling was, dat in de toekomst een team van pastores de oude en nieuwe wijken van Roermond zou gaan bedienen. In De Donderberg was een kerk nodig, die als hulpkerk zou fungeren. Onderwijl voldeed de noodkerk uitstekend. Ook andere bijeenkomsten dan de sacrale werden in de kerk gehouden.

Huidige kerk

Pastoor De Wit en het kerkbestuur togen in 1970 naar een te Amsterdam gehouden prijsvraag voor nieuwe kerken. De architecten huldigden de opvatting dat een kerk opgenomen diende te zijn binnen het spectrum van de algemene voorzieningen in een wijk. Daar kon De Wit zich in vinden, met dien verstande dat de kerk wel blijvend sacraal zou zijn en in het weekeinde uit te breiden was met een zaal. Inmiddels werden plannen gemaakt voor een definitieve kerk, maar de bouw werd tegengehouden door financiële moeilijkheden. De uitgifte van de plaat ‘Zingend Bouwen’ bracht in 1971 geld op voor de bouw. Tegelijkertijd kreeg het nieuwe bisschoppelijke beleid gestalte. Nieuwe kerken moesten multifunctioneel worden en wel zo, dat diverse functies gecombineerd werden met een sacraal gedeelte, dat permanent als kerk in gebruik was. De kerken dienden klein van opzet te zijn. In 1972 was mgr. Gijsen aangetreden, die het beleid uitbreidde met de richtlijn, dat de kerk zichtbaar in de parochies diende te zijn. Eveneens in 1972 werd het besluit genomen een parochie te stichten op De Donderberg. De extra redenen waren onder meer, dat de wijk een bijzondere populatie kende, met haar eigen specifieke problemen. De bevolking kwam uit de armere lagen van de bevolking van Roermond en moderniteiten als ‘flatjongeren’ waren een reëel probleem. De omliggende parochies konden, door de andere samenstelling van de bevolking, hierin te weinig steun verlenen. In 1972 had architect Bekkers reeds zijn tweede ontwerp ingediend bij de DCPB. Het behelsde een octogonale centraalbouw, waarin geen ruimtes apart konden worden afgesloten. Het ontwerp werd afgewezen. Bij het uitgevoerde ontwerp werd dit probleem ondervangen door een aantal vierkante ruimtes te koppelen, die met vouwwanden van elkaar waren gescheiden. De financiering kwam rond door het Wijkcentrum en het Groene Kruis eveneens een plaats in het complex te geven en door subsidie van de Wet Premie Kerkenbouw, die toen nog van kracht was. Aannemer Sondermeijer uit St.-Odiliënberg werd de opdracht gegund en op 21 december 1975 werd de kerk in gebruik genomen. Waarschijnlijk is de kerk bij die gelegenheid tevens door mgr. Gijsen geconsacreerd.

 

Veranderingen

In 1979 werd een toren ontworpen door O. Zolnner van architectenbureau J. Zolnner B.V. Behoudens een paar kleine aanpassingen om het meer tot een eenheid te maken werd het ontwerp goedgekeurd. Mgr. Castermans noemde in dit verband een klokkentoren ‘… geen luxe. Het is een herkenningsteken.’ Het ontwerp voorzag in een mogelijkheid de toren in twee fasen te bouwen en op een later moment twee klokken toe te voegen. De toren werd echter in één keer voltooid. In de toren werd als kleinste de klok van het in dat jaar opgeheven Ursulinenklooster opgehangen. In 1982 werd de parochie van De Goede Herder in Hoogvonderen opgericht, tot verdriet van pastoor H. Passing van de Tomasparochie. Naar zijn mening was het beter geweest een nieuwe, grotere kerk te bouwen op de grens van de twee wijken en het voorstel van wethouder Van Rey aan te nemen om de nieuwbouw door de gemeente te laten betalen. Mgr. Gijsen was hier echter op tegen. Hij vreesde, dat de kerk te groot zou worden. De Goede Herderkerk werd in 1994 gesloten en het altaar en een aantal devotionele stukken werden naar de Tomaskerk overgebracht. Tegelijkertijd werden de stoelen uit de Tomaskerk geruild tegen de banken uit de Goede Herderkerk. Rond 1998 werd in de hal een Mariakapelletje ingericht, met in de vitrine een 15de – eeuws Mariabeeld.

 

Exterieur

De zaalkerk staat onder een plat dak met boven de kerkzaal een verhoging met dakschilden, die een plat dak dragen. De dagkapel is ten opzichte van het schip ingesnoerd. De muren zijn opgetrokken in waalsteen in halfsteensverband en platvol gevoegd. Aan de parkeerplaatszijde is de kerk geheel gesloten. Aan de straatzijde staan in de insnoering ter hoogte van het priesterkoor en in de dagkapel ramen. Tevens staat aan deze zijde in de dagkapel de toegang, die wordt gemarkeerd door een rechthoekige luifel. De toren bestaat uit twee delen aan weerszijden van de ingang en is opgebouwd uit een opengewerkte smeedijzeren constructie. In de toren hangen in het hoogste deel drie klokken. Aan de tuinzijde is de kerk voorzien van grote raamwanden met daarboven een met hout afgetimmerde fries. Aan de winkelzijde sluit de kerk aan op de rest van de bebouwing.

 

Interieur

De kerk wordt betreden door een dubbele houten deur, die toegang geeft tot een hal. Hierin bevinden zich de toegangen tot de sacristie en de dagkapel. Tevens bevindt een ronde ingemetselde vitrine met een hardstenen knielbank. De vitrine is aan de achterzijde afgesloten met glas-in-lood. Naast de vitrine is de toegang tot een gang met een gedachtenisaltaar, die doorloopt tot de kerkzaal. De binnenmuren van de kerk zijn in halfsteens verband en platvol gevoegd. Op de vloeren liggen splijttegels in halfsteensverband. De plafonds zijn met schrootjes afgetimmerd, waarbij de dakspanten in het zicht zijn gelaten. De vierkante ruimte van de kerkzaal wordt aan drie zijden afgescheiden van de overige ruimten door vouwwanden. Aan de parkeerplaatszijde staat een verhoogd presbyterium met een vieringaltaar. Licht wordt hier verkregen door drie in het plafond verzonken kubussen met een lichtkoepel boven het presbyterium, alsmede een raam aan de straatzijde. Aan de tuinzijde staat een rechthoekige ruimte, die bij het schip kan worden getrokken. Hierin staat aan de tuinzijde een glaswand. De ruimte is ingericht met tafels en stoelen en wordt tevens gebruikt als koffie- en kaartruimte. De dagkapel staat aan de straatzijde van de kerkzaal. Aan de straatzijde wordt licht toegelaten door een glaswand. Aan de tuinzijde staat de toegangsdeur. In de dagkapel staan een vieringaltaar, de doopvont, de tabernakel en een Maria-altaar. Kerkzaal en dagkapel zijn verder opgevuld met een axiaal bankenplan.

(Bron: Dr A. Jacobs en Drs. A.A. Wiekart – Kerken na 1940. Inventarisatie en waardenstelling kerkelijke bouwkunst na 1940 –Roermond – Stichting Monumentenhuis Limburg, 2003).

 

Orgel

 

In 1975 kreeg deze kerk de beschikking over het in 1929 door Stahlhuth (Burtscheid, D) voor het voormalige klooster van de zusters van het Arme Kind Jezus te Maastricht gebouwde orgel; het orgel werd niet in zijn geheel herplaatst.

 

Hoofdwerk Zwelwerk Pedaal

Prestant 8’ Openfluit 8’ Subbas 16’

Bourdon 8’ Gamba 8’

Octaaf 4’ Zing.prestant 4’

Mixtuur III Doublette 2’

 

Bron: G.M.I. Quadvlieg – Orgeldocumentatie Limburg (Stadsbibliotheek Maastricht)

 

Bijzondere voorwerpen en afbeeldingen

 

Altaar, XXC. Het altaar is samengesteld uit een travertijnen tombe en een marmeren mensa. Het vieringsaltaar staat op het presbyterium. Mogelijk is het altaar afkomstig uit de Goede Herderkerk te Roermond.

Altaar, XXB. Een mensa op drie stipes, waarvan de twee aan de zijkanten staan en een derde dwars als een tombe is geplaatst. Op deze derde staat in reliëf een afbeelding van de Emmausgangers, waarbij Christus centraal aan een tafel zit en aan dezelfde zijde de twee leerlingen (Luc. 24: 13-35). Mogelijk is het altaar afkomstig uit het klooster van de Ursulinen in Roermond. Qua thematiek past het altaar goed in de kerk.

Doopvont, beton, XXB. Op een bolwelvende voet staat een hexagonale cuppa, die is afgedekt met een hexagonaal tentvormig deksel bekroond met een bol. In het deksel zijn een anker, een Christusmonogram, en een A en Omega gedreven. De vont is voorzien van een zinken bak, in tweeën gedeeld door een wand. De vont staat in de dagkapel. De dubbele bak heeft geen heilig putje en is waarschijnlijk voorzien van een dubbele bak als copie van in deze streken vaker voorkomede indelingen van de doopvont. Zij het, dat dan één van de zijden is voorzien van een heilig pitje. Dit moet daarom gezien worden als een rudimentaire vorm.

Glas-in-lood, Wil Smeets en Helma Bombeeck, circa 1998. Centraal staat boven aan een M in een rode cirkel. Van hieruit gaat een witte stralenbundel naar beneden. Onderaan staat een bruine band, waarin land is te herkennen. Daarboven staat op de achtergrond een lichtblauw vlak, dat door een golvende rand is gescheiden van een donkerblauwe band. Rechts van de M vliegt een duif, links staan enkele onherkenbare tekens afgebeeld. In de stralenbundel staan versieringen, die identiek zijn aan die op de tabernakel en in de toren.

Glasappliqué, T. Franssen, 1977. Bij het priesterkoor en in de dagkapel (straatzijde). Priesterkoor: Rechts staat Christus, die de stigmata toont aan Thomas, die voor hem geknield ligt. Hierachter staan vier apostelen. (Verschijning van Christus aan Thomas, Joh. 20: 24-29). Dagkapel: Links staat Christus op een oever. Centraal staan vissen in het water afgebeeld, waarboven een duif zweeft. Rechts staan vijf mannen in een zeilboot, die netten met vissen binnenhalen. (Wonderbare Visvangst, Joh. 21: 1-14). Eigenlijk zijn het met gepigmenteerde kunsthars beschilderde ramen, als gevolg van het feit dat de eerder voorgestelde techniek van het glas op glas plakken niet goed mogelijk werd geacht. In 1994 waren de ramen sterk verbleekt, maar een parochiaan heeft toen de kleuren bijgewerkt.

Laatste steen, marmer, 1975. Tekst: Toen riep Tomas uit: Mijn heer en mijn God. Joh. 20:28. Geplaatst naast de ingang bij de opening van de kerk. Achter de steen ligt een plaquette.

Tabernakel, gepatineerd koper, 1975? De tabernakel is versier met gepatineerd koper, waarop in reliëf een non-figuratieve decoratie is gemonteerd. De tabernakel staat op een in de muur gemetselde plaat hardsteen, die in de wand achter het priesterkoor in de dagkapel is ingemetseld. De nieuwe tabernakel was nodig na de vernieling van de oude in 1972, die uit de noodkerk werd gestolen.