Rooms Katholieke Kerk

Preek van onze Paus op Beloken Pasen en zondag van de Goddelijke Barmhartigheid

1523291478258

Zondag onder het Paasoctaaf, Beloken Pasen, Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid (Jaar B) – Sint Pietersplein

In het Evangelie van vandaag komt meermaals het werkwoord ‘zien’ voor: “De leerlingen waren vervuld van vreugde toen zij de Heer zagen” (Joh. 20, 20). Zij zeiden daarna tegen Thomas: “Wij hebben de Heer gezien” (Joh. 20, 25). Maar het Evangelie beschrijft niet hoe zij Hem zagen, het beschrijft de verrezen Heer niet, het belicht slechts een detail: “Hij toonde hun zijn handen en zijn zijde” (Joh. 20, 20). Het Evangelie lijkt ons te willen zeggen dat de leerlingen Jezus zo erkend hebben: door Zijn wonden. Hetzelfde overkomt Thomas: ook hij wou “het teken van de nagelen zien” (Joh. 20, 25) en geloven na gezien te hebben (Joh. 20, 27).

Ondanks zijn ongeloof, moeten wij Thomas dankbaar zijn want het voldeed hem niet van anderen te horen zeggen dat Jezus leeft, noch dat zij Hem in vlees en bloed gezien hadden; hij wou binnenin kijken; Jezus’ wonden – de tekenen van Zijn liefde – met de hand aanraken. Het Evangelie noemt Thomas, “Didymus” (Joh. 20, 24), wat ‘tweeling’ betekent en daarin is hij werkelijk onze tweelingbroer. Ook voor ons volstaat het niet, te weten dat God bestaat: een verrezen maar verre God vervult ons leven niet; een afstandelijke God trekt ons niet aan, ook niet als Hij rechtvaardig en heilig is. Nee, ook wij hebben het nodig God te zien, met de hand te voelen dat Hij voor ons verrezen is.

Hoe kunnen wij Hem zien? Zoals de leerlingen: door Zijn wonden. Als zij daarnaar kijken, begrijpen zij dat Hij hen niet voor het plezier beminde en vergaf, ook al had één van hen Hem verloochend en verlaten. Binnengaan in Zijn wonden, is de mateloze liefde schouwen waar Zijn Hart van overloopt. Het is begrijpen dat Zijn Hart voor mij klopt, voor u, voor ieder van ons. Dierbare broeders en zusters, wij kunnen ons hoog achten en christen noemen, en veel mooie waarden over het geloof zeggen, maar zoals de leerlingen hebben wij Jezus en de aanraking van Zijn liefde nodig. Alleen zo gaan wij naar de kern van het geloof en vinden wij zoals de leerlingen een vrede en vreugde 1  die sterker zijn dan elke twijfel.

Nadat Thomas de wonden van de Heer gezien had, riep hij uit: “Mijn Heer en mijn God!” (Joh. 20, 28). Ik zou de aandacht willen trekken op het adjectief dat Thomas herhaalt: ‘mijn’. Het is een bezittelijk voornaamwoord en als wij er goed over nadenken, zou het ongepast kunnen lijken om het op God toe te passen: hoe kan God van mij zijn? hoe kan ik de Almachtige tot de mijne maken? Eigenlijk profaneren wij God niet als wij ‘mijn’ zeggen, maar eren wij Zijn barmhartigheid, omdat Hij de onze is willen worden. Eigenlijk zeggen wij Hem zoals in een liefdesgeschiedenis: “Gij zijt mens willen worden voor mij, Gij zijt voor mij gestorven en verrezen, dus zijt Gij niet alleen God, Gij zijt ook mijn God, Gij zijt mijn leven. In U heb ik de liefde gevonden die ik zocht en veel meer, zoals ik mij nooit had kunnen voorstellen”.

God is niet beledigd door de onze te zijn, want liefde vraagt vertrouwelijkheid; barmhartigheid vraagt vertrouwen. Reeds bij de aanvang van de tien geboden zei God: “Ik ben Jahwe uw God” (Ex. 20, 2) en Hij herhaalde: “Ik, Jahwe uw God, Ik ben een jaloerse God” (Ex. 20, 5). Dat is het aanbod van God. Liefdevol en jaloers dient Hij zich aan als uw God. En het antwoordt welt op uit het overrompelde hart van Thomas: “Mijn Heer en mijn God!”. Als wij vandaag door de wonden binnengaan in het mysterie van God, begrijpen wij dat de barmhartigheid niet één kwaliteit is tussen de andere, maar de hartslag van Zijn Hart zelf. Zoals Thomas, leven wij dan niet meer als aarzelende, devote maar wankele leerlingen; ook wij worden echt verliefd op de Heer! Wees niet bang van dat woord: verliefd op de Heer.

Hoe die liefde proeven, hoe Jezus’ barmhartigheid vandaag met de hand aanraken? Het Evangelie suggereert het ons nogmaals wanneer het benadrukt dat Jezus op de avond van Pasen zelf 2 , toen Jezus pas verrezen was, eerst de Geest geeft om zonden te vergeven. Om liefde te ervaren, dient men langs daar te gaan: zich laten vergeven. Zich laten vergeven. Ik stel mij de vraag en vraag het aan ieder van u: laat ik mij vergeven? Biechten lijkt moeilijk. Tegenover God zijn wij geneigd te doen zoals de leerlingen in het Evangelie: ons opsluiten met gesloten deuren. Zij deden het uit vrees, en ook wij zijn bang, beschaamd om ons te openen en onze zonden te bekennen. Moge de Heer ons de genade geven te begrijpen wat schaamte is, haar niet te zien als een gesloten deur, maar als de eerste stap naar de ontmoeting. Wanneer wij ons beschaamd voelen, moeten wij dankbaar zijn: want het betekent dat wij het kwaad niet aanvaarden, en dat is goed. Schaamte is een stille uitnodiging van de ziel die God nodig heeft om het kwaad te overwinnen. Het zou een drama zijn wanneer men zich over niets meer schaamt. Laten we niet bang zijn voor schaamte! En maken wij de overgang van schaamte naar vergeving! Wees niet bang voor schaamte.

Er is echter een gesloten deur voor de vergeving door de Heer, die van resignatie. Resignatie is altijd een gesloten deur. De leerlingen hebben het ervaren toen zij met Pasen bitter vaststelden dat alles terug was zoals voordien: zij waren nog daar, in Jeruzalem, ontmoedigd; het “hoofdstuk Jezus” leek afgesloten, en na zoveel tijd met Hem doorgebracht te hebben, was er niets veranderd. Wij resigneren. Ook wij kunnen denken: ik ben al zo lang Christen en toch verandert er niets, ik doe altijd dezelfde zonden.

Ontmoedigd zien wij dan af van de barmhartigheid. Maar de Heer interpelleert ons: gelooft ge niet dat Mijn barmhartigheid groter is dan uw ellende? Hervalt ge in uw zonde? Herval dan ook in uw vraag om erbarmen, en we zullen zien wie wint! En ook – wie het sacrament van de vergeving kent, weet het – het is niet waar dat alles herbegint zoals voordien. Bij elke vergeving zijn wij opgemonterd, bemoedigd, want wij voelen ons telkens meer bemind. En wanneer wij ons bemind weten maar toch hervallen, voelen wij meer leed dan voordien. Het is een weldadig leed dat ons stilaan van de zonde onthecht. Wij ontdekken dan de levenskracht van Gods vergeving te ontvangen en verder te gaan, van vergeving naar vergeving. Zo gaat het in het leven: van schaamte naar schaamte, van vergeving naar vergeving. Dat is het Christenleven.

Na schaamte en resignatie, is er een andere gesloten, soms geblindeerde deur: onze zonde. Wanneer ik een zware zonde doe, als ik mij in alle eerlijkheid niet wil vergeven, waarom zou God het dan doen? Doch die deur is slechts aan één kant vergrendeld, onze kant; voor God is het nooit onoverkoombaar. Zoals wij uit het Evangelie vernemen, komt Hij juist graag binnen door “gesloten deuren”, wanneer iedere doorgang verhinderd lijkt. Daar, doet God wonderen. Hij neemt nooit het besluit zich van ons te scheiden, wij zijn het die Hem buiten houden. Maar als wij biechten, doet zich iets ongehoord voor: wij ontdekken dat zelfs de zonde die ons op afstand hield van de Heer, een plaats wordt om Hem te ontmoeten. Daar, komt de gekwetste God van liefde onze kwetsuren tegemoet. En Hij maakt onze ellendige wonden gelijkend op Zijn verheerlijkte wonden. Want Hij is barmhartigheid en bewerkt wonderen in onze ellende. Vragen wij vandaag, zoals Thomas, de genade onze God te herkennen: in Zijn vergeving onze vreugde te vinden, in Zijn barmhartigheid onze hoop.